Dat smaakt naar meer

Hoe boeiend die Man ook spreken kan, ze zijn niet gekomen om te luisteren. Zien willen ze, méér van die wonderlijke genezingen. Daarom zijn ze Hem gevolgd. Maar ja, de tijd verstrijkt en bijna niemand heeft eraan gedacht om een lunchpakketje mee te nemen. Behalve die ene jongen met zijn gerstebroden en zijn gedroogde vis.

Voor Jezus een uitgelezen kans om een stapje dichterbij te komen. Een rammelende maag, dichter bij het doodgewone leven van alledag kan haast niet. De jongen geeft wat hij heeft. Meer verlangt Jezus ook niet. Meer heeft Hij niet nodig. Als je het verlang­en hebt om te geven, is het niet belangrijk hoeveel je geeft. God vraagt om wat je hebt en niet om wat je niet hebt.

Maar al is even later hun honger gestild, hun verlangen naar wonderen is dat nog lang niet. Dit smaakt naar meer. Zo’n koning willen ze wel, iemand die gééft en niet eist, zoals de Romeinse overheerser.

Jezus ziet wel dat ze op dat moment niet openstaan voor wat Hij hun eigenlijk wil geven. Iets wat dieper gaat dan een lege maag, gelukkiger maakt dan een genezen lichaam, veel verder reikt dan dit leven. Dus laat Hij het erbij …

De volgende dag, zo tegen het ontbijt, zoeken ze Hem weer op en dan neemt Jezus de kans waar. Je kunt voor Hem nu eenmaal niets geheimhouden. Geen lege maag, geen twijfelachtig motief, zelfs niet dat waar je jezelf niet eens van bewust bent – je lege leven.

Nee, deze keer geen fastfood. Deze keer wordt hun een heel ander menu voorgeschoteld: brood dat niet verteert, water dat blijvend verfrist. Met de herinnering aan het wonder van de dag ervoor nog vers in hun geheugen luisteren ze aandachtig naar Jezus’ woorden over zoiets alledaags als brood; woorden die opeens een onbekende, onbegrijpelijke dubbele bodem blijken te hebben.

Daarmee komt Jezus opeens heel dichtbij. Raakt Hij hun diepste verlangens aan. Brood voor het lichaam, brood voor de ziel.

Het is best veel om in een keer te verteren. Maar dat hoeft ook niet. Dit brood mag je eten, ervan genieten en het herkauwen, steeds maar weer. Er is genoeg; het raakt nooit op. Het vult je lege leven, eens en voorgoed.

‘Wie van het water uit deze put drinkt, krijgt weer dorst. Maar wie van het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Dat water zal in hem als een fontein worden, waaruit eeuwig leven voortkomt.’

Johannes 4:13-14 

Een hoofdstuk uit ons boek ‘Zo dichtbij‘.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *